Copy paste

Het is 1989, ik ben zes jaar, en te lang voor de televisie zitten is ongezond.
Ik heb buikpijn voor de computerles op school. We leren hoe we op een Commodore 64 (een computer met een toetsenbord dat vijf keer zo dik is als mijn laptop) met toetscombinaties een pijltje van richting kunnen veranderen, en ik ben er niet goed in. Als je het juist doet tekent het pijltje een sneeuwmannetje, maar bij mij worden het alleen een paar lukrake witte lijnen op een zwart scherm. Meester Hans praat de hele les door over de toekomst. Eén van de dingen die hij beweert is dat we ooit één apparaat zullen hebben waarmee we alles doen: televisie kijken, muziek luisteren, telefoneren, computeren (van internetten is nog geen sprake). Maarten is de slimste jongen van de klas en zegt dat meester Hans niet goed snik is.

Het is 2005, ik ben tweeëntwintig jaar, en op de toneelschool heeft iemand Google Maps ontdekt. We staan met een groepje mensen rond de enige computer in de kantine. Je kunt vanuit de ruimte inzoomen op de aarde tot in je eigen straat, en dat gaat zo snel dat ik er bijna duizelig van word. Iemand vraagt of het live is.

Het is 2020, ik ben zesendertig jaar, en mijn smartphone zegt me dat mijn schermtijd vorige week gemiddeld drieënhalf uur per dag bedroeg. Het is elke week meer, terwijl ik probeer te minderen.
Ik vraag aan Siri om een sms te sturen naar mijn lief. 'Wil je haver- of amandelmelk? X' Wanneer ik de 'iks' uitspreek verschijnen er drie letters, maar dan corrigeert ie zichzelf en maakt er een 'X' van - vroeger moest ik dit zelf aanpassen, maar Siri weet intussen wat ik bedoel. Op de achtergrond speelt Spotify muziek die ik niet ken maar met zekerheid zal liken, en past Waze mijn route aan omdat het verderop drukker wordt.

Facebook weet welke dingen mijn aandacht krijgen en bepaalt zo mijn wereldbeeld, en dus lees ik op mijn tijdlijn dat ik als mens robotiseer zonder dat ik het besef. Bepaalde ontwikkelingen kunnen we ons maar moeilijk voorstellen, maar vaak vinden ze sneller dan we denken plaats en hebben we het niet eens gemerkt. Zo vond ik het ooit een raar idee dat we tegen onze telefoon zouden gaan praten als tegen een mens - dat leek me iets voor een verre futuristische toekomst. Maar ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het eerst tegen Siri sprak - laat staan sinds wanneer ik het normaal vind dat ik een virtuele assistent heb. Mogelijk was het een automatische software-update met een nieuwe feature die ik eerst onnozel, dan grappig vond en die ik nu nog maar moeilijk uit mijn dagelijks leven weg kan denken. De robot sluipt onopgemerkt naar binnen.

Het is 2020 en ik heb een neefje van zes. Hij speelt met mijn iPad en verdwijnt tikkend en swipend in een spelletje dat ik niet kan volgen. Ik kijk over zijn schouder mee wanneer me opvalt hoe haast alle icoontjes op het scherm refereren aan een analoge werkelijkheid die niet meer is. Een groen en een rood hoorntje - alsof we nog steeds opnemen en inhaken, een diskette om iets te saven, een televisieschermpje met een antenne. Voor mijn neefje verwijst het nergens meer naar, maar dat maakt hem niks uit. Kinderen van deze tijd zijn eraan gewend dat niets blijft zoals het is. De icoontjes dienen als houvast voor een generatie met heimwee naar een discman en een telefoonboek, die zich nog zorgen maakt over schermtijd en pijltjes die vanzelf van richting veranderen.

 

Deze tekst verscheen op 12 maart 2020 in De Standaard.