Bestemmingsplan

Traag rijd ik door de wijk waar ik vroeger woonde.
Ik ben onderweg naar mijn moeder, die haar te groot geworden huis verkoopt. Er zijn al te lang teveel kamers koud en leeg, er staan tafels en stoelen genoeg voor jonge en grote gezinnen uit de jaren negentig, de tuin is een oerwoud. Ze wil kleiner, met minder spullen en dichter bij haar drie dertigers - wij zijn al lang geleden naar de stad gevlucht, weg van onder de kerktoren.

Twintig jaar geleden was het huis een troost na de scheiding van mijn ouders: ik hield van de afgelegen plek, en vanuit mijn raam keek ik diep het vlakke groene hageland in - treurend en rokend (ik vond dat een faire deal: als zij mochten scheiden mocht ik roken). Ik zag een weide met schapen, een maïsveld, de rand van een bosje, een authentieke fermette in de verte en als ik goed keek een graafmachine die de bodem afschraapte - wist ik veel waarom.
Het uitzicht veranderde snel: nog geen jaar later waren de schapen verdwenen en lag er troosteloos een strook asfalt in het landschap: een doodlopend eind met een dozijn zakdoekgrote beloftes van nieuwe buren. Nieuwe buren die in no time nieuwe huizen bouwden die probeerden te lijken op een authentieke fermette in de verte - inclusief karrenspoor en ornamenten in landelijke stijl, maar ook met robotmaaier en helaas zonder verte, want daar verrees al de fermette van de buurman.

Wanneer ik bij mijn moeder aankom staat er een Porsche op de oprit. Die is van de vastgoedmakelaar, een enthousiaste man die wanneer ik hem de hand schud knipoogt en zegt dat mijn moeder goud in handen heeft. 'Prachtig huis. Schitterend gelegen, midden in het groen, op een boogscheut van de hoofdstad. Een droom voor tweeverdieners met een kind.'
En hij heeft nog een ideetje. Wat als we de tuin apart verkopen als bouwgrond? Tegen het huis aan is nog voldoende ruimte voor een nieuwe woning. Hij kijkt mijn moeder indringend aan. 'Als jij het niet doet doet de volgende eigenaar het, en dan krijg je spijt.'
'Kan dat zomaar?', vraag ik.
'Het enige wat we moeten doen is het bestemmingsplan wijzigen. Daarvoor doen we een aanvraag bij de gemeente die waarschijnlijk in eerste instantie weigert, maar als we tegen die beslissing in beroep gaan is de kans dat we winnen bijna honderd procent.'
Ik stel me een nieuwbouwfermette voor tegen het huis van mijn moeder - die zwijgt. Het zou gruwelijk lelijk zijn, maar misschien hangt het ervan af tegen welke prijs. Iets in mij komt in de verleiding, merk ik.

'Ik verkoop het alleen in één stuk.' Haar stem slaat bijna over. 'Een droom voor tweeverdieners met een kind? Zonder notenboom om in te klimmen, zonder kippen en zonder uitzicht - met alleen een plastic speeltuig op een omheind pleintje drie straten verder? Laat me niet lachen.'
'U bent een gevoelsmens mevrouw', zegt de makelaar afgemeten. 'Dat is mooi. Maar het hangt er van af welke bril je opzet.'

Ik denk aan een artikel dat ik een tijd geleden las, waarin stond dat de Vlaming eerder hardnekkig vasthoudt aan zijn authentieke individuele recht om te bouwen dan dat hij een collectief gevoel ontwikkelt over een aangename leefomgeving. Dit is dus hoe het werkt. Dit is waarom onze ruimte eruitziet zoals ze eruitziet. Dit is de bril op onze neus: onze werkelijkheid houdt op bij de grens van ons perceel. De handelaar in ruimte daagt mijn moeder uit: haal eruit wat erin zit - en kijk vooral niet over het muurtje.

 

Deze tekst verscheen op 5 maart 2020 in De Standaard.