Dit is wat we delen*

een Belg in de coulissen van Amsterdam

 

Mae drove back to The Circle, determined that when she got back to campus, she would stay there. She’d had enough of the chaos of her family, of Mercer, her wretched hometown. (…) Increasingly, she found it difficult to be off-campus anyway. There were homeless people, and there were the attendant and assaulting smells, and there were machines that didn’t work, and floors and seats that had not been cleaned, and there was, everywhere, the chaos of an orderless world.

Dit is een fragment uit de dystopische roman The Circle van Dave Eggers. In het verhaal komt hoofdpersoon Mae Holland als jonge succesvolle vrouw terecht bij The Circle, een sexy social media-bedrijf dat, naar analogie met Google en Facebook, zijn werknemers een totaalervaring biedt: ze hoeven voor niks nog van de bedrijfscampus af, en dat willen ze ook niet. Waarom zouden ze ook: binnen de grenzen van The Circle is het leven immers perfect, en de organisatie heeft alles zo onder controle dat iedereen knap, gezond, blij, gelukkig, en - uiteraard - optimaal productief is.
Mae’s vader echter is ernstig ziek, en als ze daarvoor noodgedwongen de campus moet verlaten wordt ze pijnlijk geconfronteerd met de chaos van de werkelijkheid buiten The Circle.

Laat me even iets op de spits drijven.

Amsterdam is die bedrijfscampus. Amsterdam is die gestroomlijnde mini-maatschappij waarin alles gesmeerd loopt en chaos tot een absoluut minimum beperkt wordt. Een luxe-resort waar iedereen knap, gezond, gelukkig, en - uiteraard - optimaal productief is.

In dit Amsterdam mag ik vier weken schrijven. Vanuit mijn tijdelijke verblijfplaats, op drie hoog aan een plein in het hart van deze geoliede machine, kan ik eindeloos observeren en ontleden. En dat is comfortabel, opwindend en verbazingwekkend. Met open mond sta ik te kijken naar zoveel ambitie en daadkracht in dagelijkse organisatie. Terwijl me uit België berichten bereiken over totale chaos (de spoorbonden leggen het land al dagenlang plat), zijn hier dingen mogelijk.

Het is vrijdagmiddag en de stad zindert. Als de zon schijnt is niets zo mooi als de Amsterdamse grachtengordel. Het heeft alles wat het betere themapark betaamt: groen, water, attracties en lekkernijen bij de vleet - allemaal in één herkenbare huisstijl. Een brandschoon sprookje is het. Drie straatstofzuigers schrobben de stoep beter dan ik ooit mijn eigen woonkamer schoonmaak - het is de tweede keer vandaag, vanmorgen waren ze er ook al. Op de muur van de kerk tegenover me verwijdert een gespecialiseerde firma vers gespoten graffiti van vannacht. Een paar meter verder prutst een andere gespecialiseerde firma fluitend stickers van palen en bankjes. Het is allemaal zo gepiept: over elke vierkante centimeter straatsteen is nagedacht, achter elk schijnbaar achteloos neergepoot paaltje zit een plan. Als termieten rijden bestelwagentjes en fietskoeriers af en aan om overal elke mogelijk denkbare dienst aan te bieden - ‘Voor drieëntwintig uur besteld, is morgen in huis.’ Wat niet lekker loopt, wordt aangepast - waarschijnlijk vandaag nog, want de klok op de hoek van elke straat herinnert er constant aan dat elke minuut telt.
Het is één en al optimistische bedrijvigheid, tot om klokslag vier uur alle hand- en spandiensten verricht zijn en er een decorwissel plaatsvindt: ondernemend Amsterdam maakt zich op voor de vrimibo. De vrijdag-middag-borrel.

Het lijkt wel gerepeteerd. In een mum van tijd loopt uit alle hoeken en kieren het plein vol korte rokjes, maatpakken en witte overhemden. De week zit er op, en nu mogen alle remmen los. Lekker bier is ver te zoeken, maar borrelen kunnen Nederlanders als de besten. Waar bij een Vlaming gezelligheid moet blijken, brengt men hier gezelligheid mee. Superhandig, want een garantie op plezier in overvloed. Borrelende Hollanders lachen - geen klein beetje, maar uitbundig. En ze zingen - niet één liedje, maar een hele avond lang. Met z’n allen, en uit volle borst.

Ik kijk het allemaal aan. Van achter de ramen in mijn schrijfappartement blijf ik onvermijdelijk een toeschouwer, die de boel bedachtzaam vanuit vogelperspectief in zich opneemt en bedremmeld wegschuifelt als een lachend stelletje omhoog kijkt en me ziet staan. Ziet observeren. Want tegen wil en dank komt bij de aanblik van zoveel ongebreidelde vrolijkheid mijn eigen volksaard bovendrijven, waardoor iets in mij zich argwanend op een eiland terugtrekt. De Belg in Nederland - wat een cliché. Ik zucht, pak pen en papier en poog met het feestgejoel op de achtergrond er iets over op te schrijven.

Tevergeefs. Een lege bladzijde en een lange interne dialoog later besluit ik dat aan de kant blijven staan geen optie is. Amsterdam is het eenzaamst als je niet deelneemt aan de ervaring. Ik raap mijn moed bij elkaar, verlaat schoorvoetend mijn eiland, en ga recht op het geweld af.

‘Neem hem mee!’, brult iemand.
Als ik de voordeur achter me dichttrek wordt voor mijn neus een dronken zwerver hardhandig geboeid en in een politiewagen geduwd. Groepjes mensen lachen en jouwen de man uit. Het is een bliksemsnelle interventie: de agenten volgen een strak protocol, en in minder dan geen tijd is het hinderlijke object geëlimineerd. Terwijl de auto met flikkerende blauwe lichten wegzoeft wordt druk en genoegzaam nagepraat en -gelachen.

Mijn poging tot integratie mislukt, want even later zit ik toch weer met een bierviltje in schrijfmodus op een terras. ‘Amsterdam - city of freedom’ staat er op de pen die ik van de ober heb gekregen.

‘Wat schrijf je?’, vraagt een man met een rieten hoed en een bril met zwaar, zwart montuur.
‘Over de stad’, zeg ik.
‘Dat is interessant’, zegt hij. ‘Want die zie je niet.’
‘Sorry?’, vraag ik.
‘De stad.’ herhaalt hij. ‘Die zie je niet. Die zit verstopt, achter het decor. Mag ik?’, vraagt hij terwijl hij zonder schroom aanschuift aan mijn tafeltje. ‘Henk’. Hij steekt zijn hand uit.
‘Tom, aangenaam.’

‘Kijk. Je hebt in Amsterdam twee grote groepen’, vertelt Henk me als ik hem vraag naar wat ik dan niet zie in de stad.
‘Je hebt de superrijken en de superarmen. Allebei rasechte Amsterdammers, en allebei groeiend in aantal. Maar er is maar één groep van die twee die optimaal productief is, zie je. De andere groep verwelkt langzaam, en onzichtbaar. Ze spelen verstoppertje, vaak weten ze niet eens van elkaars bestaan.’
Ik denk aan Mae Holland (what’s in a name…) in de roman van Dave Eggers, en aan de zwerver voor mijn deur. Dat is het geheim. In utopia is geen plaats voor lelijkheid, afwijking, armoede.
‘Amsterdam is geweldig,’ zegt Henk. ‘Als je een beetje van aanpakken weet kun je hier veel lol maken. Maar je moet weten hoe je het spel moet spelen. Als je buiten de lijntjes kleurt of in het verkeerde gezin wordt geboren, dan val je uit de boot.’

‘WIJ WILLEN BIER DRINKEN - BIER, DAT WIL MIJ!’ knalt snoeihard uit een speaker op de Barracuda, een overvolle feestboot die me van een afstandje bekeken onvermijdelijk doet denken aan andere overvolle boten uit het journaal. Ik las ergens dat 2015 het Jaar van de Grens werd: bij elkaar opgeteld telt Europa weer bijna net zo’n lange grensbarrière als ten tijde van het IJzeren Gordijn. En dat die barrière net zo lang is als de omtrek van de aarde. Langzaam maar zeker trekken we ons allemaal op ons eiland terug. Terwijl de Barracuda dichterbij komt zie ik hoe iemand over de boeg heen in het water kotst. Er wordt gelachen.

‘Hé, waar ben je bang voor?’, vraagt Henk, als reactie op mijn gefronste blik. Ik lach onhandig, zeg dat ik in gedachten verzonken was. Hij lacht. ‘Ik weet wel wat jij ziet,’ zegt hij. ‘Leer mij de Belgen kennen.’ Ik voel me betrapt. ‘Weet je waar het om gaat?’ Hij buigt zich voorover en wijst naar de boot, die door het tomeloze gedans en gespring vervaarlijk heen en weer schommelt. ‘Het gaat erom de lichtheid van het bestaan te accepteren. Dat is wat wij doen, de Ollanders.’
Zodra de Barracuda ter hoogte van ons terras vaart beginnen mensen spontaan mee te zingen. Ook Henk blijft niet achter, hij pakt me bij mijn schouders beet en brult de ziel uit z’n lijf: ‘WIJ WILLEN BIER DRINKEN - BIER, DAT WIL MIJ!’ De man die net nog zo scherp uithaalde naar zijn eigen Amsterdam laat nu zelf alle teugels los. Aan de kant blijven staan is echt geen optie, besef ik, en eindelijk geef ook ik me over.
‘Twee vaasjes alsjeblieft!’ schreeuw ik boven het gejouw uit tegen een ober.
Henk stoot mijn elleboog aan. ’Doe maar twee pintekes’, roept hij lachend, ‘dat verstaan ze best!’
En als we even later toosten: ‘Mijn hart klopt voor de Belgen dit jaar, want Oranje heeft het verknald. Dus: op jullie. Dat jullie het EK mogen winnen. Dat hoop ik echt.’

Terwijl de avond valt langs de feestelijk bevaren Amsterdamse gracht doen de pintekes langzaam hun werk. Nederland leert mij zingen, lachen en praten. En als na de laatste ronde stipt om één uur de laatste klant op de stoep staat, wankel ik in de lichtheid van mijn kortstondige Amsterdamse bestaan naar huis.

Nederland en Vlaanderen. Wat we delen zijn woorden. Taal die afstand of nabijheid schept, muren van argwaan of onbegrip opwerpt - of ons elkaar doet omhelzen, lachen en relativeren. Na vier weken schrijven op een plein in Amsterdam merk ik dat een grens vervaagd is, en ik niet meer alleen maar Belg ben. Mijn pen is Hollandser is geworden. De personages in het toneelstuk dat ik heb geschreven zijn een stuk vrolijker en gezelliger dan wanneer ze thuis in België zouden zijn ontstaan. ‘Nu’ is in ‘nou’ veranderd, ‘goed’ werd ‘lekker’, en wat eerst op een eenvoudige mededeling leek eindigt nou met een komma en een vragende ‘toch?’.

Onderweg terug naar huis strandt mijn trein in Roosendaal, het laatste Nederlandse station voor de grens met België. ‘Vanwege een staking van de Belgische spoorwegen legt NS bussen in. Houd rekening met een langere reistijd.’ Ik heb de bedrijfscampus verlaten, zoveel is duidelijk. Ik moet opletten dat ik niet in mijn goedgeluimde assertieve modus blijf hangen als ik straks een treinkaartje ga kopen aan het loket in Antwerpen-Centraal. Het leven is geen feest in België. Als je bij ons iets gedaan wilt krijgen werkt een underdog-positie innemen geheid beter: ‘Sorry voor het storen, ik weet het: het is allemaal niet gemakkelijk - maar is het eventueel misschien mogelijk om een kaartje te kopen?’ Als je het zo aanpakt vergroot je je kansen op een glimlach en een treinticket aanzienlijk. Of je dan ook nog daadwerkelijk thuisgeraakt is weer een andere vraag.
Maar je kunt niet alles willen, toch? Je bent immers niet in Amsterdam.

(*) ‘Dit is wat we delen’ is een van de taglines waarmee Vlaanderen en Nederland zich dit najaar gezamenlijk presenteren op de Frankfurter Buchmesse. Artistiek intendant Bart Moeyaert formuleert het als volgt: ‘Startpunt van alles is de Noordzee, die Vlaanderen, Nederland en Duitsland met elkaar verbindt.’

Deze tekst werd in mei 2016 geschreven in het kader van een schrijfresidentie van het Nederlands Letterenfonds in Amsterdam.