Achteruitkijkspiegel

Ik heb een surrealistisch verhaal geschreven waarin ik zogezegd een relatie heb. Ik heb een langeafstandsrelatie, en daarom besluit ik mij een auto aan te schaffen om de afstand tussen mij en mijn lief te overbruggen. Wat er vervolgens gebeurt is dat die auto in feite letterlijk en figuurlijk tussen mij en mijn lief komt te staan, omdat ik zoveel tijd doorbreng in die auto dat ik dus verliefd word op die auto. Wat volgt is een aantal grappige tragische wendingen waarin ik bijvoorbeeld eerst heel lang probeer om dat te verbergen voor mijn lief, maar zij op de duur natuurlijk achterdochtig wordt en denkt dat ik een ander heb tot ik dan uiteindelijk mijn lief wel nog bezoek maar wel altijd in mijn auto slaap omdat ik liever bij hem (of bij haar, of bij het?) wil zijn. Tot dan in the end de relatie met mijn lief op de klippen loopt omdat ik nog maar amper uit mijn auto kom en er eigenlijk een soort van mee ben vergroeid geraakt.

Dit alles maar om te zeggen dat ik met dat verhaal onverwacht deGigantprijs heb gewonnen - van het online magazine deGigant.org, en dat dat iets in gang heeft gezet wat ik echt nooit had voorzien. Vanaf het moment dat ik als winnaar werd bekend gemaakt is men mij beginnen bellen. De aandacht was enorm, vanaf het begin. DeGigantprijs is uiteraard een prijs die zijn naam alle eer aan doet, daar ga ik niet onnozel over doen. Ik heb daar effectief zeer veel geld mee gewonnen. En de ironie wil dat ik de eerste schijf die al in de week na de uitreiking werd uitbetaald direct gebruikt heb voor de aanschaf van ... een nieuwe auto.

Nu was er dus opvallend veel aandacht voor mij en die prijs. En in het begin dacht ik ‘ja, dat is normaal, ik heb gewonnen, ik ben een soort van de ‘waan van de dag’, en over een paar dagen is dat over, ben ik niet meer interessant en is er iets anders.’ Maar wat er gebeurde was het omgekeerde: de aandacht werd alleen maar groter, en het bleef niet bij een interviewtje hier en een fotoshootje daar - en er kwamen echt ‘projecten’. Zo werd ik bijvoorbeeld gevraagd als star appearance in een reclamespot voor een bekend automerk, of door de Vlaamse overheid zelfs om het nieuwe gezicht te worden van een nieuwe campagne tegen hardrijders - noem maar op.
Als klap op de vuurpijl is er dan het opiniestuk van socioloog Bart Coenen verschenen in De Morgen, en daarmee was het hek van de dam. Coenen gebruikte in zijn tekst mijn verhaal als kapstok om de vinger te leggen op wat hij noemt de ‘vermaterialisering’ van de mens: door te leven tegen een snelheid van honderdtwintig kilometer per uur verliezen wij onze menselijkheid, ontkennen wij ons lichaam en maken van onszelf een machine, zonder gedachten en gevoelens - louter gefocust op functionaliteit en doelgerichtheid. Coenen nam mij als voorbeeld en stelde in zijn artikel dat wij als mensen op die manier auto’s worden, en dat de auto niet langer het verlengstuk van de mens is maar andersom: de mens als verlengstuk van zijn auto. Met alle nefaste gevolgen van vervreemding en sociale isolatie van dien.
Wat er zo opmerkelijk was aan het stuk van professor Coenen was dat hij niet refereerde aan mijn bekroonde tekst en de fictieve situatie die ik daarin schets, maar aan mij persoonlijk als reëel voorbeeld van die tendens.

En ik heb het gevoel dat vanaf dat moment, vanaf die publicatie in De Morgen, mensen vergeten waren hoe het eigenlijk begonnen was.
Waar ik in het begin nog werd geïnterviewd als schrijver en verhalenverteller werd ik nu geïnterviewd alsof mijn verhaal waargebeurd was. Alsof het over mijn leven ging. En in ‘t begin zei ik af en toe nog wel eens: ‘sorry meneer, mevrouw, efkes voor de duidelijkheid: dit is een fictief verhaal’ maar men geloofde mij niet. Journalisten omzeilden mijn opmerking of lachten ze weg en reageerden: ’ja, natuurlijk, zoals elke schrijver zegt u ook dat uw verhaal fictie is, maar de snuggere lezer weet wel beter’. En ik kreeg niet meer beargumenteerd dat mijn verhaal fictie was. Vrij snel kwam ik terecht in een vicieuze cirkel waarbij fictie en realiteit constant in elkaars staart beten.
En met die publieke opinie die zo aan terrein won, breidde dat gegeven zich ook uit naar mijn privéleven - dat op dat moment door tijdsgebrek feitelijk al niet meer echt bestond. Vrienden en familie die mijn opbelden en zich afvroegen waar ik uithing moest ik meestal vol schaamte bekennen dat ik in de auto zat. Dat was immers de realiteit van mijn leven: ik had een nieuwe auto gekocht, was constant op de baan van de ene talkshow naar de andere, en ik had geen lief.

En daar ben ik totaal in verdwaald geraakt. Omdat de media en de buitenwereld mij systematisch en consequent in een nieuwe realiteit plaatsten, ging ik die zelf voor waar aannemen. En door het opnieuw en opnieuw en opnieuw herhalen van mijn verhaal haalde de fictie de werkelijkheid langzamerhand in, en ben ik dus écht verliefd geworden op mijn auto. Eerlijk waar: ik moest daar de hele tijd aan denken. Ik wou daar altijd bij zijn. Ik wou die nergens meer achterlaten, zeker ‘s nachts niet - ik had een heilige schrik voor diefstal of vandalisme. Als ik uitgenodigd werd voor interviews reed ik wel naar de studio maar verzon vervolgens een smoes om het gesprek in kwestie toch te laten doorgaan in mijn auto, wat het verhaal uiteraard alleen nog maar kracht bij zette. Omdat ik voortdurend onderweg was sliep ik ook steeds vaker in - en met - mijn auto. Ik had geen vast adres meer - had mijn appartement opgezegd, en eigenlijk woonde ik in mijn auto.

Deze tekst werd geschreven in het kader van de voorstelling ‘Another great year for fishing’ maar haalde de voorstelling uiteindelijk niet.
Een ingekorte versie van deze tekst werd op 18 januari 2015 als radiocolumn uitgezonden op Radio 1 en kun je hier herbeluisteren.