Het echte verhaal

Wij hadden de slappe lach. Mijn eerste lief, en ik.
Wij zaten bij haar in de tuin - bij haar en haar nieuw lief, met wie ze getrouwd is en twee kindjes heeft. En wij hadden de slappe lach.

Wij hadden de slappe lach omdat zij had ontdekt dat ik nog altijd grom als ik een boke met choco eet. Zoals een kat die spint.

‘Gij doet dat nog altijd,’ zei ze.
‘Wat?’
‘Als gij eet.’
‘Wat?’
‘Grommen.’
‘Echt?’
‘Ja.’
‘Was ik dat nu aan ‘t doen?’
‘Ja.’
‘Hoe?’
‘Wel, zo: hmmm.’
‘Dat is van tevredenheid.’
‘Dat weet ik,’ zei ze.

En toen zei ze: ‘Stel u voor dat wij dat altijd zouden doen. Dat mensen altijd zouden grommen als ze ergens tevreden over waren. Hmmm. Dat ge een tevreden mens daaraan zoudt kunnen herkennen. Hmmm.’

En toen moesten wij lachen.

En toen vroeg ik aan haar of zij eigenlijk tevreden was.
En ze zei dat ze dat niet zo goed wist. Maar dat het natuurlijk wel allemaal veel erger had kunnen zijn. En toen moest ze weer lachen, want haar buurman was het gras aan ‘t afrijden waardoor wij de hele tijd net iets hoger en net iets harder moesten spreken om elkaar te kunnen verstaan, en toen zei ze dat het ook had gekund dat de stilte bijvoorbeeld het geluid van een grasmachine was. En dat wij dus altijd een grasmachine zouden horen, als het ergens stil was. Dat dat ook had gekund, in plaats van de stilte zoals wij ze kennen.

En daar moesten wij heel hard mee lachen.

En toen zei ik dat het ook had gekund dat wij in plaats van twee armen en twee benen een grote ledemaat hadden. Een soort grote homp vlees zonder bot die aan onze hals begon en over onze volledige romp hing, met een grote nagel aan de onderkant en alleen de mogelijkheid om er mee te zwieren. En dat wij ons uitsluitend konden voortbewegen door te rollen of te springen op die romp. En dat er aan de onderkant geen eelt ontstond - want dat bestond helaas niet, eelt - maar dat dat gewoon een grote open wonde was. Dat had gekund.

Of hoe goed is het dat de motoriek van onze mond en onze tong zo ontwikkeld is dat wij met elkaar kunnen spreken, zodat we elkaar min of meer kunnen begrijpen. Zelfs als we elkaar eigenlijk niet begrijpen. Het had ook gekund dat wij een meningsverschil - hoe klein ook - nooit konden relativeren. Dat dat altijd op leven en dood was. Dat als je in een discussie net met het verkeerde argument kwam, dat je dat sowieso een vinger kostte. Of een oor. En dat er in elk café onder elke tafel standaard een emmer stond voor de verloren lichaamsdelen. En dat er in een relatiecrisis sowieso altijd iemand het leven liet. Dat had gekund.

Het had allemaal veel erger kunnen zijn.

Maar het had natuurlijk ook allemaal veel beter kunnen zijn.

Het had gekund dat wij een wiel hadden in plaats van twee benen. En dat we daarmee zo snel konden rijden dat we geen auto’s nodig hadden. Dat we tegen honderdnegenentachtig per uur naast elkaar over de snelweg konden rollen terwijl we met elkaar babbelden. Dat had gekund.

Of dat wij onze oren konden uitzetten om iets niet te horen, zoals we onze ogen kunnen dichtdoen als we iets niet willen zien. Zodat het ineens stil is, waar je ook bent. Ineens is ‘t stil - het enige wat je nog hoort is het geluid van een grasmachine.

Het had gekund dat wij achter ons oor een pauzeknop hadden, en dat als je die indrukte, je er even voor de buitenwereld niet was. Maar dat je alles vanaf een afstandje kon bekijken. En dat er dan een soort van figuur was die met jou overlegde: ‘Ça va nog? Zijt ge nog bij uzelf? Klopt dat hier nog allemaal voor u? Is dit nog wat gij echt wilt?’ En dat ie je pas terug de wereld instuurde op het moment dat je echt over die vragen had nagedacht, en er echt terug klaar voor was. Dat had gekund.

Het had gekund dat alles altijd een duidelijke oorzaak en gevolg had. Dat alles altijd glashelder was, overal. Dat liegen onmogelijk was. Dat alles wat wij zeiden en deden altijd precies dat betekende wat wij zeiden en deden. En dat wij feilloos aanvoelden wanneer iemand een vraag probeerde te omzeilen, zijn eigen vel probeerde te redden, of eigenlijk alleen maar bezig was zijn eigen belangen te verdedigen. Dat had gekund.

Het had gekund dat je nooit iets kon doen waarvan je wist dat het eigenlijk beter was als je het niet deed. En dat je je angsten altijd en overal de baas kon. En dat je je doel altijd duidelijk voor ogen had, en dat een gevoel gewoon consequent altijd simpelweg dat gevoel was. Dat je daar niet over kon twijfelen. Dat had allemaal gekund.

Ben je nog mee?
Al die dingen hebben wij natuurlijk allemaal niet meer tegen elkaar gezegd, terwijl wij daar bij haar in de tuin zaten. Die heb ik daarna opgeschreven, voor mezelf, toen ik terug thuis was.

In het echte verhaal hebben wij eigenlijk alleen maar heel lang zitten lachen. En daarna was het heel lang stil - maar écht stil. De buurman zijn gras was af, en ik zat in de tuin bij mijn eerste lief, en het was heel lang stil. Ik heb zonder iets te zeggen nog een boke met choco gesmeerd. En terwijl ik dat aan ‘t opeten was heb ik een paar keer expres gegromd omdat ik wist dat ze dan zou moeten lachen. En dat deed ze. Ze lachte.

Deze tekst is een fragment uit de voorstelling ‘Another great year for fishing’.
Een ingekorte versie van deze tekst werd op 4 oktober 2015 als radiocolumn uitgezonden op Radio 1 en kun je hier herbeluisteren.