Onderdeel

Een tijdje geleden ging ik naar een theatervoorstelling - dat mocht toen nog: je kocht op voorhand een kaartje, en de avond zelf ging je er met een hele groep andere mensen naartoe. Ik keek er naar uit om ontspannen achterover te leunen in het pluche, maar tot mijn angst was het een voorstelling met publieksparticipatie: je was niet gewoon toeschouwer, je werd er actief onderdeel van. Het ging over ecosystemen, en hoe levende organismen in onderlinge afhankelijkheid elkaar in evenwicht houden. Iedereen kreeg zo'n organisme aangewezen (ik was een amoebe), en vervolgens was er een probleemstelling en moesten we een debat voeren alsof we zelf dat organisme waren. Ik vond het een aardig idee maar een kwelling om te doen: ik kon me moeilijk inleven, en de voorstelling was pas afgelopen wanneer we het probleem met elkaar hadden opgelost. Het duurde urenlang en ging zolang door dat ik het op zeker moment echt niet meer trok. Ik loog dat ik mijn laatste trein moest halen en ging in het café om de hoek bier drinken - wat me opluchtte en veel minder moeite kostte.

Iets anders. Drie jaar geleden veroorzaakte de orkaan Harvey in de Verenigde Staten enorme wateroverlast, en was het land temidden van de chaos getuige van een nieuw fenomeen: om te voorkomen dat ze collectief verdronken haakten miljoenen mieren hun pootjes in elkaar en vormden vlotten, waardoor de hele kolonie bleef drijven. Door in beweging te blijven en op tijd van plaats te wisselen, bleven ze allemaal in leven. Het was een raadsel: hoe wisten de mieren wat ze moesten doen? Ze hadden geen crisissimulatie kunnen uitvoeren, want een overstroming als deze had zich niet eerder voorgedaan. Het was een kwestie van creatief zijn, daadkrachtig handelen en de ganse kolonie voor de goeie zaak mobiliseren. En dat lukte, iedereen deed mee: er was - voor zover we weten - niet één mier die het niet trok, of die dacht dat het wel meeviel met die overstroming en het hele vlotten bouwen een beetje overdreven vond.

Je zou kunnen stellen dat we de afgelopen twee weken als menselijke diersoort een beetje op de drijvende mierenkolonie lijken: met het mes op de keel zijn we blijkbaar in staat ultrasnel te handelen en dingen te doen die we eerder onmogelijk achtten. Tot drie weken geleden was er geen scenario denkbaar waarin alle vliegtuigen aan de grond zouden blijven staan, of waarin we met z'n allen een tijdje collectief thuis op de plee zouden gaan zitten.
We waren in de waan dat we heersers waren over een onverwoestbaar systeem dat we zelf hadden ontworpen. We dachten dat we tot in de verste uithoeken fantastische reizen konden maken, en dat we konden beheersen en beheren naar eigen welbevinden - ons niet bewust van de kans dat we in de slipstream van ons intercontinentale geheen-en-weer ook celletjes zouden ex- en importeren waartegen we zelf niet zijn opgewassen.

Het totale gewicht van alle mieren ter wereld is ongeveer net zo groot als dat van alle mensen tezamen. Dat is duizelingwekkend, vooral als je je realiseert dat ze geen ecologische voetafdruk hebben - wel integendeel: op hun doortocht laten ze een spoor van vruchtbaarheid achter.
Zou de mierenkolonie geen prachtig nieuw rolmodel kunnen zijn, nu we spartelend op zoek zijn naar vaste grond onder de voeten?

Het café om de hoek is gesloten.
Laten we een vlot bouwen, iedereen meenemen en de woeste baren trotseren.
En anderhalve meter afstand houden.

 

Deze tekst verscheen op 27 maart 2020 in De Standaard.